Home » Technische zaken » Opleidingsfasen

Opleidingsfasen

De basisfase: ontdekken (M, F en E-jeugd)
In de basisfase moet gedacht worden aan het vormen van het voetbalgevoel. De persoonsontwikkeling en de leeftijdskenmerken zorgen ervoor dat de jongste spelers nog erg balgericht zijn. Daarom is het spel bij balbezit altijd het uitgangspunt. Vanuit de belevingswereld van deze kinderen heeft balbezit van de tegenstander nog weinig of geen betekenis. Ze weten vaak niet eens wie de tegenstander is. Ze begrijpen wel heel goed dat ze de bal moeten afpakken als ze hem kwijt zijn. In deze fase gaat het om doelpunten maken, balgevoel, pingelen en de bal  langs een tegenstander naar een medespeler spelen. Met deze items in je achterhoofd zijn vrij gemakkelijk allerlei voetbalsituatie te creëren, waarmee je als trainer op het veld aan de gang kunt. Natuurlijk kunnen we verschillende voetbalthema’s combineren en op den duur is dat ook zeker de bedoeling, maar het accent kan in deze fase maar op één item tegelijk liggen, omdat anders de verwarring voor de spelers te groot wordt. En dat zou de logische opbouw voor hen verstoren, dat gaat ten koste van het leerproces!

 

De opbouwfase: leren door spelen (D en C-jeugd)
De belangrijkste fase voor een voetballer is de opbouwfase. De speler doet in deze levensfase namelijk een groot aantal indrukken op en ontwikkelt zich snel. De basis voor het waarnemen binnen de voetbalsituatie wordt in deze fase gelegd. Vooral bij de C-junioren zie je dat terug. Vaak zien deze spelers al de oplossingen verder weg, maar motorisch kunnen ze het nog niet waarmaken. Maar je komt ook vroegrijpers tegen, die zich fysiek wel snel ontwikkeld hebben, maar zich nog geen gericht kijkgedrag hebben aangeleerd.

 

De wedstrijdfase: optimale prestatie (B en A-jeugd en senioren)
Deze fase begint ongeveer als de spelers de leeftijd van de B-junioren hebben bereikt. Het winnen van een wedstrijd was al belangrijk, maar nu krijgt dit ook echte waarde toegekend. De manier waarop een wedstrijd gewonnen wordt, kan nu objectiever beoordeeld worden en eigen prestatie en teamprestatie kunnen nu redelijk worden ingeschat. Als de spelers de vorige fase redelijk hebben doorlopen, kunnen ze ook zelf aangeven wat er globaal wel en niet functioneerde. Je staat soms versteld van het scherpe analysevermogen van sommige spelers. De wedstrijd (de vorige of aankomende) wordt nu ook het kader van waaruit geput wordt voor de trainingsinhoud. Kwaliteiten van spelers worden nu gebruikt voor het team. Je ziet hoe belangrijk het is voor een speler dat hij weet met welke gedachte de ploeg speelt en dat iedereen met dezelfde grondgedachte speelt. Dan pas zijn allerlei keuzes te maken en kunnen spelers de spelbedoelingen realiseren en samenwerken om dit doel te bereiken. Het begrijpen van elkaar, het elkaar aanvoelen in een spelsituatie wordt zo veel eenvoudiger en te begrijpen. Het begint bij een paar simpele afspraken en kan heel ver doorgevoerd worden.

De stap ligt nu in de weerstandentheorie zoals de Zeistervisie dat aangeeft. De uitvoering wordt belangrijker. De handelingssnelheid moet omhoog. Dat bereik je door onder andere het verkleinen van het speelveld, het verplicht minder raken van de bal en meer tegenstanders. De wedstrijd wordt nu dus volledig uitgangspunt voor de training.

Natuurlijk is het van belang dat de trainer nu goed kan analyseren en de tekortkomingen van de ploeg kan blootleggen om deze vervolgens door gerichte trainingen weg te werken. Uiteraard moet er ruimte ingebouwd worden om de speelwijze te trainen en om individuele spelers te verbeteren. Steeds meer zal er taakgericht en positie-specifiek getraind moeten worden. Ploegtactiek is zeer bepalend voor de inhoud van training. Alle drie de hoofdmomenten komen aan bod,  maar vooral wordt nu belangrijk hoe de spelers elkaars voetbalmogelijkheden inschatten. Het samenwerken en presteren als team wordt ontzettend belangrijk.

Om je doelstellingen te bereiken ‘speel’ je als trainer nog bewuster met ruimtes en weerstanden: veldvergroting of verkleining, variatie in aantal spelers, werken met ondertal en overtal. Ook de grootte van de doelen aanpassen, beschermde gebieden invoeren, het spelmateriaal aanpassen aan omstandigheden of gegevens en opdrachten veranderen in tijd, tempo of richting (bijvoorbeeld twee keer raken) zijn goede maatregelen. Er zijn ontzettend veel mogelijkheden. Het kan bijvoorbeeld ook via het extra belonen van gewenst voetbalgedrag (bijvoorbeeld: kopgoal telt dubbel). Het hangt een beetje af van het ‘trainersgevoel’ welke maatregelen je neemt om voetbalsituaties te veranderen en of je ze wel moet veranderen en op welk moment.

Het mag duidelijk zijn dat elke fase zijn eigen problemen kent, voor de spelers als de groep.